Na een sfinctersparende ingreep voor rectumkanker krijgen veel patiënten te maken met darmdisfunctie, oftewel ‘low anterior resection syndrome’ (LARS). Serieuze LARS kan een substantiële impact hebben op de kwaliteit van leven van de patiënt, maar patiënten met milde LARS hebben minder vaak last van darmproblemen. Verpleegkundig onderzoekers van Universiteit Gent, VITAZ Sint-Niklaas en AZ Delta Roeselare hebben de noden van patiënten met en zonder milde LARS na een chirurgische ingreep voor rectumkanker bestudeerd. De resultaten van het onderzoek zijn onlangs gepubliceerd in wetenschappelijk tijdschrift European Journal of Oncology Nursing.1
Patiënten met rectumkanker die daarvoor een sfinctersparende ingreep ondergaan, krijgen vaak last van onverwachte functionele darmproblemen. Deze symptomen worden aangeduid met de afkorting LARS, een syndroom dat wordt gekenmerkt door meerdere individuele symptomen die tot verschillende darmproblemen kunnen leiden.2 Patiënten met LARS vertonen minstens één van de volgende symptomen:
Bij LARS leiden deze symptomen tot minstens één van de volgende consequenties:
De onderzoekers zetten een studie op die was gebaseerd op de gefundeerde theorie-benadering (‘grounded theory’): een aanpak voor kwalitatief onderzoek waarmee een theorie gebouwd wordt op basis van systematisch verzamelde en geanalyseerde data. Volwassen patiënten die rectumkanker hadden overleefd en wel of geen milde LARS hadden, werden vanuit drie grote ziekenhuizen geïncludeerd in het onderzoek. Patiënten met ernstige LARS, een permanente stoma en patiënten die geen Nederlands spraken kwamen niet in aanmerking voor deelname. De onderzoekers voerden semigestructureerde interviews uit met de deelnemers, waarna de gegevens geanalyseerd werden met de constante comparatieve methode en triangulatie.
In totaal werden 14 patiënten geïnterviewd, waarvan er 6 geen LARS hadden en 8 wel milde LARS hadden overgehouden aan een sfinctersparende ingreep voor rectumkanker. Alle deelnemers rapporteerden last te hebben van LARS-gerelateerde symptomen in de eerste maanden na de ingreep, wat hun kwaliteit van leven negatief beïnvloedde. Naar mate de tijd vorderde werden deze symptomen hanteerbaarder, terwijl andere langetermijneffecten van de kankerbehandeling juist ernstiger werden. Bijvoorbeeld perifere neuropathie, veroorzaakt door de neoadjuvante behandeling.
De ervaringen van de deelnemende patiënten werden vooral vormgegeven door hun eigen perspectief en context. Informatienoden verschilden van deelnemer tot deelnemer, waarbij sommige deelnemers gespannen werden van het ontvangen van uitgebreide informatie. Toch is deze informatie noodzakelijk voor een goede voorbereiding op het mogelijk ontwikkelen van LARS.
Uit dit onderzoek blijkt dat zowel patiënten zonder als met milde LARS hanteerbare symptomen ervaren na een sfinctersparende ingreep voor rectumkanker. De informatie die patiënten voorafgaand aan de operatie krijgen, zou moeten worden aangepast om zo min mogelijk spanning te weeg te brengen, en om aan te sluiten bij de verschillende copingstrategieën die patiënten vertonen. Volgens de onderzoekers moeten zorgverleners het risico op ernstige LARS vooraf inschatten, om die informatie te gebruiken bij de gezamenlijk besluitvorming. Hierbij kunnen zorgverleners gebruik maken van keuzehulpmiddelen die specifiek zijn ontworpen voor rectumchirurgie.
Referenties